Artikel in de weekkrant over "pup Milly"

 

Fam. Willemse uit Bussum heeft de pup Milly (voorheen Lilo) geadopteerd op 12 januari 2012. Haar adoptiebaasje Peter Willemse heeft een leuk artikel geschreven over hun nieuwe hondje. Dit artikel is op 17 januari verschenen in de "Weekkrant" van de Gooi & Vechtstreek. Zie hieronder het artikel:

 
Of klik hier voor de link van het bericht
 

Sinds een paar dagen ben ik niet alleen een iets te dikke gezinsman van middelbare leeftijd, maar ook een iets te dikke gezinsman van middelbare leeftijd mét hond. Ik werk nog maar amper vanuit huis, of er is me al door vrouw en dochter een hond in de maag gesplitst. Al eerder schreef ik over het resoluut niet willen van een hond, zelfs ondanks een eerdere belofte aan mijn dochter. Ik heb altijd pal voor mijn overtuiging gestaan in de strijd tegen een poepmachine op pootjes. Zo ben ik nu eenmaal. Hard, recht door zee en onwrikbaar. Nou, niet dus!

Nu sta ik ’s morgens om 6 uur blauwbekkend in mijn ochtendjas, met Mexicaanse laarzen aan, of met alleen mijn tenen in de Uggs van mijn dochter, omdat dat het enige schoeisel is dat ik zonder bril in het donker kon vinden, op de stoep. Te wachten op een poepje of een plasje, liefst allebei. En als het grote moment dan daar is, laat ik met overdreven lofuitingen en een hondensnoepje weten erg verguld te zijn met het fantastische resultaat. Vervolgens eet ik het snoepje lekker op. Poepjes gooi ik kokhalzend en met tranende ogen weg. Zo beginnen nu mijn dagen.

Inmiddels heb ik me tot mijn schande in de weken voor de komst van de hond drukker gemaakt over haar opvoeding, dan ik me ooit druk maakte over de opvoeding van de kinderen. Ik kijk tot mijn eigen schrik zelfs op zakken hondenvoer van gerenommeerde merken of er niet teveel zout in zit. Als de kinderen al een potje babyvoer kregen, dan lette ik daar nooit op. Het meeste eten kwam immers toch op de grond, tegen de muur of het plafond terecht.

En om meer te weten te komen over de achtergrond van de hond heb ik dit weekend wangslijmvlies uit de mond van de hond gehaald en naar een instituut in Engeland gestuurd waar ze aan de hand van haar DNA én 70 euro laten weten welke rassen verenigd zijn in onze nu nog geheimzinnige hond. Zo kunnen we ook haar gedrag beter begrijpen, want nu weten we alleen maar dat ze met haar broers en zusjes gedropt was bij een Pools asiel en via een hulporganisatie bij ons gekomen is. Mijn vrouw heeft het er maar over dat ze denkt dat er een Spaniël in zit, en misschien ook wel iets van een Teckel. Ik ben zelf nogal angstig dat in onze vuilnisbak een Berner-sennen, een Labrador en een Deense Dog zitten als ik haar buitenproportioneel grote poten zie.

En met veel moeite stop ik de hond ’s avonds in haar bench, en loop snel weg, nagekeken door de meest mistroostige ogen die je je kunt voorstellen. Maar de boekjes zeggen dat ik nu niets meer tegen haar mag zeggen, anders krijgt ze een hekel aan de bench. Ik ben geloof ik verliefd op mijn hond, ook al heb ik straks een huis dat misschien wel naar hond ruikt.

Maandag nam ik haar mee naar het gemeentehuis waar ik uiteraard bij het verkeerde loket terecht kwam en te horen kreeg dat ik voor de hondenbelasting naar de receptie moest: ‘Maar u mag het hondje gerust bij mij achterlaten hoor’, zei de vriendelijke ambtenares. Bij de receptie vertelde ik dat ik aangifte kwam doen van mijn hondje. Dat klonk inderdaad een beetje gek. En terwijl ik vol spanning de papieren invulde, stiekem al denkend aan een fraaie hondenpenning die mij zo zou worden uitgereikt, bleek deze niet meer in het pakket te zitten. ’U krijgt wel vanzelf een acceptgiro’, werd er op vrolijke toon aan toegevoegd. Tuurlijk, die wel, maar een fraai hondenpenninkje kan er al niet meer vanaf in het armetierige Bussum waar het geld van de hondenbelasting in de kas van de algemene middelen vloeit.

Ach ja. En dan gaat mijn vrouw naar haar werk en mijn dochter naar school en trek ik me terug in mijn studeerkamer. Op mijn bureau ligt de kat al in haar mand te ronken, dromend van de onverschrokken jacht op wilde veldmuizen van twee meter groot. Af en toe gaat er even een kattenoog open om vol van walging en met een groot superioriteitsgevoel te kijken naar wat er toch op de vloer ligt. Een heuse hond; ja echt, er ligt écht een hond.

Dan kijkt de kat mij aan met een blik die het midden houdt tussen bestraffend en meewarig. In ieder geval een verpulverende blik. Ze lijkt te willen zeggen: ,Wat ben jij voor een prulvent zonder ruggengraat, een zacht ei! Hoe diep kun je zinken dat je een dier aanschaft dat zo laag op de evolutionaire ladder staat, een dier zonder enige decorum’. Ik kijk ook naar de grond, en daar ligt inderdaad echt een hond, slapend, op haar rug met de achterpoten wijd uiteen gespreid. Ik wil haast ineengekrompen, vol van schuldgevoel, ‘sorry hoor’, fluisteren. Alsof ik betrapt ben met mijn hand in de koektrommel, maar ik zeg geen sorry. Want IK ben hier de baas ... of niet dan ...

 


Terug